Palestina

Nieuws uit en over Palestina

Palestina

Archive for oktober, 2008

Demonstratie (verslag 4)

Soms vraagt een mens zich af, hoe ben ik in hemelsnaam in deze situatie terecht gekomen?
In mijn geval: in het dorpje Beit Fajjar, op een podium, al sprekend voor een 200tal mannen (en misschien 2 vrouwen).

Het is vrijdag, vrije dag voor onze Palestijnse partners en dus ook voor mij. ’s Ochtends reis ik van Nablus terug naar Ramallah.  Om 13u komt Mahmoud me oppikken, hij is van de federatie van onafhankelijke vakbonden en heeft me eerder deze week uitgenodigd om mee te gaan naar een demonstratie van steenarbeiders in een dorpje nabij Hebron, gekend om zijn steenbewerkingsindustrie.  Het lijkt me interessant om mee te maken, dus ik twijfel niet om de uitnodiging te aanvaarden.

Onderweg in de taxi doet Mahmoud de situatie uit de doeken.  Palestina heeft haar eigen arbeidswet, gestemd in 2000.  Hoewel het slechts om een algemene kaderwet gaat en veel van de uitvoerende besluiten nog ontbreken, vormt deze wet al een belangrijk vertrekpunt voor arbeiders en de bonden die hen verdedigen.  Probleem is echter dat deze arbeidswet met de voeten getreden wordt.  Zo ook in de steenindustrie.  Mahmoud overloopt het lijstje: te lage lonen, te veel werkuren per dag, te veel werkdagen per week, geen verlof, geen veiligheidsvoorzieningen voor het gevaarlijke werk, geen sociale bescherming (een ongeval betekent ontslag), … Als ik Mahmoud vraag of er überhaupt iets van de arbeidswet wèl wordt nageleefd, schudt hij z’n hoofd…  Reden te meer om te demonstreren dus.

En ergens tussen het hele verhaal vraagt Mahmoud of ik op de demonstratie ook even iets zou willen zeggen.  Over waardig werk, om de werkers te motiveren, te laten zien dat er aandacht voor hen is.  Tsja, daar kan je geen nee op zeggen…
Aangekomen trek ik meteen de volle aandacht, als enige vrouw en dan ook nog eens een blonde.  Ik krijg een plaats op het podium, naast de burgemeester, de vakbondsvertegenwoordigers en iemand van het parlement.  Iedereen doet z’n zegje, die van het parlement wauwelt iets vaag, Mahmoud geeft een daverende speech.  En dan is het mijn beurt.  Spreken voor een publiek is niet mijn sterkste kant, maar ik breng het er goed vanaf en krijg zowaar applaus.  Ik vertrouw volledig op Mahmoud voor een juiste vertaling, ik hoor achteraf van enkele studenten dat hij mijn woorden inderdaad goed vertaald heeft.

Dan trekken we de straat op, in een mars naar het gemeentehuis.  Daar vindt een ontmoeting plaats met enkele werkgevers uit de steenindustrie .  Het gaat er heftig aan toe: de bedrijfseigenaars verschuilen zich achter de crisis die de Palestijnse economie momenteel hard raakt.  Prioriteit ligt in het overleven van het bedrijf, de arbeiders moeten dat snappen, zonder bedrijf is er helemaal niets.  De partijen gaan uit elkaar zonder dat er concrete afspraken zijn gemaakt, maar de arbeiders zijn tevreden.  Nieuwe acties en ontmoetingen zullen volgen.

We worden door de burgemeester uitgenodigd voor het avondeten, maar we moeten op tijd terug vertrekken naar Ramallah gezien alle checkpoints die we moeten passeren.

Ik wil hier tussendoor even een opmerking maken over het Palestijns GSM-gebruik dat me is bijgebleven en dat me ook vandaag weer opviel tijdens de ontmoeting met de werkgevers.  GSM’s worden allesbehalve stil gezet tijdens vergaderingen of ontmoetingen.  Het is integendeel de normaalste zaak om te blijven zitten en je telefoon luidkeels te beantwoorden.  Zo zijn er tijdens een vergadering vaak meerdere gesprekken tegelijk aan de gang.  Zelfs zij die aan het woord zijn of in een felle discussie verwikkeld zijn, denken er niet aan om het telefoongesprek even uit te stellen.  Voor een buitenstaander als ik leverde het wel enkele grappige taferelen op…

Een 2de opmerking: Palestina is allesbehalve een plat land, met als gevolg dat de wegen de heuvels op en neer kronkelen.  Dit heeft echter geen voorzichtige rijstijl tot gevolg, integendeel: hoge snelheden, voorbijsteken in bochten, rechts voorbijsteken, … het kan allemaal.  Ik verbaasde me er zelfs over dat er niet meer ongevallen gebeuren.  Maar ze gebeuren dus feitelijk wel.
Het is reeds donker, aan hoge snelheid draait onze chauffeur de weg op, ik hoor hem roepen, duik automatisch in elkaar, hoor piepende remmen van een andere auto, even niets en dan, knal!  Onze chauffeur had niet gezien dat er een andere auto aankwam en die auto in kwestie is knal tegen ons achterste gereden.  Iedereen is in orde, enkel blikschade en dan voornamelijk bij de andere auto.  We geven onze fout toe, contactgegevens worden uitgewisseld en de herstelling zal betaald worden.  Dan gaan beide auto’s weer elk hun eigen weg, de andere weliswaar zonder licht in de donkere nacht want allebei de koplampen zijn aan diggelen…

Ik begin te geloven dat ik ongeluk breng in de taxi’s die ik deel met anderen.  Eerder op de dag, op weg naar Ramallah, gaf een klein jongetje over in de taxi.  Gelukkig niet op mij, maar wel volledig op z’n moeder die langs de andere kant naast hem zat.
En eerder deze week in Nablus reed mijn taxi een mooie rosse kat overhoop.  Het bijgeloof wil dat de chauffeur na die rit meteen naar huis of de moskee gaat om te bidden, anders zal het dode dier ongeluk brengen.  Nog een rechtvaardige gedachte…

Terwijl de discussie over de blikschade loopt, neem ik de tijd om mijn reisgenoten beter te leren kennen, met name het mediateam van DWRC.  Eén van hen loopt moeilijk en heeft een wandelstok om hem te ondersteunen.  Hij is Palestijns, maar is opgegroeid in de Verenigde Staten en is pas later als journalist naar het gebied teruggekomen.  Bij een van de rellen waarover hij verslag bracht bevond hij zich in verboden militair gebied en werd er gas in zijn auto gespoten.  Minder dan een maand later werd hij ziek, een spierziekte werd vastgesteld die hem steeds verder zal doen aftakelen.  Er is geen bewijs dat deze ziekte te linken zou zijn met het gespoten gas, maar hij weet wel beter.  De bezetting is een vuile oorlog.

Als we daarna in de file staan om aan te schuiven aan een checkpoint wil ik even uitstappen om achter de bomen in de berm een dringend plasje te maken, maar dat wordt me door mijn reisgenoten sterk afgeraden.  Verschillende mannen die tijdens het wachten uit hun auto stapten en wilden gaan plassen, werden zonder waarschuwing neergeschoten.  Zelfs plassen blijkt hier staatsgevaarlijk, hoe ver je ook verwijderd bent van een checkpoint.  Met een blaas die op springen staat kom ik aan in het hotel. 

Situatie Gaza (verslag 3)

Tijdens mijn laatste avond in Nablus neemt Hazzam me nog even mee om Kanefe te eten, een zoete lekkernij waar Nablus bekend om is.  Daarna nemen we afscheid en ga ik terug naar mijn hotel. 
Om 18u is het hier donker, na 20u is er geen leven meer te bespeuren in de straten.  De avonden zijn dus lang voor een avondmens, maar vanavond gebruik ik de tijd om een voorstel van DWRC voor een project in Gaza te bespreken en vertalen.  En dat geeft me meteen een mooie inleiding om hier even uit te weiden over de situatie in Gaza.

Het voorstel van DWRC zal ingediend worden voor noodhulp, geld dat wordt vrijgegeven voor gebieden in crisis.  Gaza is een gebied dat zich al meer dan een jaar in zware crisis bevindt.  Sinds Hamas in juli 2007 de macht in Gaza overnam werd het gebied door Israël tot vijandig gebied verklaard en hermetisch afgesloten.  Noodzakelijke goederen zoals voedsel en brandstof worden slechts in beperkte mate doorgelaten, waardoor de eigen economie lam werd gelegd (98% van de industrie is momenteel niet operationeel vanwege de blokkade).  Aan de inwoners wordt het recht ontzegd om Gaza te verlaten, niet voor werk of studie, noch voor hospitalisatie of dringende medische hulp.   
Gaza is met andere woorden een gevangenis geworden, met anderhalf miljoen gevangenen.
Recente rapporten van de VN stelden vast dat in Gaza het aantal huishoudens onder de armoedegrens de historische hoogte van bijna 52% heeft gehaald.  In vergelijking: op de Westelijke Jordaanoever bedraagt het cijfer 19%.

Bij thuiskomst lees ik in de krant dat er een doorbraak is in de onderhandelingen tussen de Palestijnse partijen Hamas en Fatah.  Een goede zaak om het Palestijns politiek beleid terug op de sporen te krijgen, maar het blijft natuurlijk de vraag of Israël van haar kant de blokkade zal opheffen.

in Nablus (verslag 2)

De volgende dagen breng ik door in Nablus, bij onze 2de partner PGFTU oftewel the Palestinian General Federation of Trade Unions.  Zoals de naam het al stelt vormt PGFTU de grote vakbondskoepel op Palestijns gebied en claimt ze alle Palestijnse werkers te vertegenwoordigen (er zijn nog andere koepels die dit ook claimen, maar dat zou me nu te ver leiden).  Het probleem is echter dat de vakbondskoepel jarenlang gezien werd als een politiek verlengstuk: postjes werden verdeeld onder de partijen in plaats van ingenomen te worden door verkozen vertegenwoordigers.  Gevolg was dat de vakbondskoepel ver van de arbeiders stond, er was geen link met of vertegenwoordiging van de arbeiders zelf en deze laatste zagen hun rechten dan ook niet verdedigd.

Bij het schrijven van deze voorgaande paragraaf heb ik getwijfeld of ik de zinnen in tegenwoordige dan wel in verleden tijd zou schrijven.  Het beeld van een vakbondskoepel die ver staat van haar arbeiders leeft immer nog steeds sterk onder de bevolking, maar tegelijk dienen nieuwe processen zich aan.  In 2005 wordt binnen PGFTU het besluit genomen om hun interne structuur te democratiseren, dus met andere woorden om de link met de arbeiders terug te vinden.  Een proces van lange adem dat pas begonnen is, maar dat wel de hoop toelaat om bepaalde zinnen reeds in de verleden tijd te plaatsen.

Fos is mee op de kar gesprongen en ondersteunt één van de sectoren binnen de PGFTU in dit proces: de petrochemische unie.  Een partnerschap tussen de Algemene Centrale (ABVV) en de petrochemische unie werd opgestart in 2006.
In tegenstelling tot de andere partner DWRC vervult PGFTU dus een andere benadering: doorheen het proces van interne verkiezingen en hervormingen proberen zij vanuit de top van de structuur een weg naar beneden te vinden.

Atef, de projectcoördinator, en Hazzam, het hoofd van de petrochemische unie, nemen me mee doorheen heel het Noorden van de Westelijke Jordaanoever: Salfeet, Tubas, Jenin, Qualqilya en Tulkareem.  In elk van deze regio’s werd immers een regionale vakbondsraad verkozen, die de arbeiders opzoeken en hen proberen te sensibiliseren over hun rechten.

Hoewel de oppervlakte niet enorm groot is duurt het reizen langs de verschillende regionale bureaus lang: Atef legt uit dat we vaak omwegen moeten maken omdat we bepaalde wegen niet mogen gebruiken of omdat we checkpoints willen vermijden.
Het aantal checkpoints groeit, momenteel zouden er meer dan 600 zijn.  Ter verduidelijking: dit zijn geen checkpoints op de grens tussen Israël en Palestijns land.  Dit zijn checkpoints tussen Palestijnen en Palestijnen, neergepoot op hun eigen land.  Ze delen het land op in kleine deeltjes die slechts moeizaam met elkaar in contact staan.  Hoe kan men de Palestijnen verwijten dat ze geen land kunnen besturen, als dit op de grond gewoon onmogelijk wordt gemaakt?  Verdeel en heers…

Onderweg passeren we olijfbomen die omringd worden door hele families.  De tijd van de olijfoogst is aangebroken, voor veel families een belangrijke bron van inkomen.  Maar de olijfoogst gaat ook gepaard met geweld, geweld tegen de boeren die op hun land hun vruchten willen oogsten.  Inwoners van de Israëlische kolonies in het gebied tolereren immers niet dat de boeren op de gronden in de nabijheid van de (illegale) kolonies komen en zij gaan steeds driester te werk: olijfbomen worden uitgerukt, in brand gestoken en boeren worden fysiek aangevallen.  Het leger bemiddelt en kalmeert de boel… door de Palestijnse boeren weg te sturen.  In de 3 dagen dat ik in Nablus ben zijn er volgens de kranten 3 mensen gestorven in dit zogenaamd “settler violence”. 

Als men het over geweld heeft in het conflict tussen Israël en Palestina wijst de vinger vaak automatisch in de richting van Hamas.  Ik verdedig hun geweld niet, ik praat het zelfs niet goed.  Ik zou enkel willen dat de wereld ook oog heeft voor het geweld vanuit de andere, Israëlische kant: de systematische discriminatie, de dagelijkse vernederingen en het fysiek geweld door het leger en de kolonisten.  Deze laatste groep wordt vaak gerelativeerd tot “enkele fanatiekelingen”, maar het geweld van hun kant groeit en ondanks mooie woorden aan chique onderhandelingstafels krijgen zij de volle steun van het Israëlisch beleid.

Op dienstreis

Voor de 4de keer naar Israël en de bezette Palestijnse Gebieden, maar deze keer voor de 1ste keer voor mijn werk, als vertegenwoordigster van Fos-Socialistische Solidariteit.  Aangezien ik al een paar keer in de gebieden ben geweest, neem ik me voor om niet meer overdonderd te zijn door de harde realiteit, maar te focussen op mijn werk en de lokale partners waarmee Fos samenwerkt.  Mijn goede voornemen houdt welgesteld stand tot in Zaventem, bij het inchecken.  Voor mij in de rij een jonge gast, ziet er nog een toffe uit, op zijn rugzak een groot logo: “friend of the Israeli Defence Forces”.  Nog niet eens in Israël sta ik alweer met beide voeten op de harde grond.  Mijn hoofd zit vol vragen die ik aan hem wil stellen (met 1 vraag die eruit springt: waarom?), maar ik stel ze niet…  Eerst Israël binnen zien te geraken.

Dat lukt echter zonder te veel problemen, enkel een half uurtje wachten, enkele telefoontjes door de douane en ik krijg mijn stempel.  Chauffeur Rami staat me aan de uitgang op te wachten met mijn naam groot op een bordje geschreven.  De eerste keer in mijn leven dat er voor mij zo’n bordje staat te wachten, een voordeel van een dienstreis dat je belangrijk doet lijken.  Hij brengt me naar mijn hotel in Ramallah, ik ben er klaar voor.

Fos is de Noord-Zuidorganisatie van de socialistische beweging in Vlaanderen en haar werking is gericht op het recht op waardig werk en het recht op gezondheid.  In het kader van waardig werk ondersteunen we in Palestina de versterking van de democratische vakbondsbeweging en het beschermen van arbeidsrechten.  Misschien niet iets dat een prioriteit lijkt, als je denkt aan Gaza, de bouw van de Muur, de bezetting, de discriminatie, het groeiend aantal checkpoints, …

Het tegendeel is echter waar: als je ijvert voor een eigen staat, moet je ook zorgen dat dit een sterke staat is, met een onafhankelijk en kritisch middenveld om het politiek beleid te ondersteunen en sturen.
Of zoals onze partner DWRC het stelt: “we mogen de Israëlische bezetting niet als excuus gebruiken, dat zou te gemakkelijk zijn.  We moeten tonen dat we een sterke staat zijn, dat de leeuw op haar poten kan staan als ze bevrijd wordt van de kooi.”

DWRC staat voor Demcracy and Workers’ Rights Centre.  Zij zijn zelf geen vakbond, maar een arbeidsorganisatie.  Doorheen werknemers te ondersteunen in het oprichten van onafhankelijke vakbonden willen zij ijveren voor betere arbeidsrechten en een betere bescherming van die rechten.  Zij vertrekken hierbij van de bottom-up benadering: ze vertrekken van lokale werknemerscomités die ze ondersteunen en vorming geven, om ze zo te laten groeien tot vakbonden per sector.  Hoogtepunt was juli 2007, de oprichting van de federatie van onafhankelijke vakbonden, een federatie van 13 van deze groeiende vakbonden.

Ik heb een ontmoeting met deze federatie.  Wel pas in de late namiddag, want alle verkozen vakbondsvertegenwoordigers zijn zelf gewoon werkers op de werkvloer die ze vertegenwoordigen.  Ik sta versteld van hun verhalen, hun motivatie, hun energie… 

Enkele werknemers van DWRC nemen me ’s avonds mee naar het dorpje Taybeh, bekend voor de brouwerij van het enige echte Palestijnse bier Taybeh en in oktober de plaats voor een heus “Oktoberfest”. 
Bierfeesten, waarschijnlijk net als vakbonden en arbeidsonderhandelingen het laatste wat in je opkomt bij het denken aan de Palestijnse Gebieden, maar als 1 ding me al duidelijk is geworden dan is het dit wel: Palestina is veel meer dan enkel bezetting, ondanks alle ellende en wanhoop is het een sterk land dat zichzelf organiseert.  Misschien momenteel niet op het politieke veld, maar wel op het middenveld.

 

Conflicttoerisme – Deel 1: Trompe l’oeil

door Johan Swinnen

(zie voor een diavoorstelling met de foto’s van Johan Swinnen op: http://www.photoq.nl/articles/columns/werf/2008/10/08/conflicttoerisme-deel-1-trompe-loeil/ )

De Joodse Nederzetting Harhoma bij Bethelehem

(Foto: de illegale Joodse Nederzetting Harhoma bij Betlehem)

Twee maanden lang staat Palestina cultureel in de kijker met het festival MASARAT. Het festival brengt een brede waaier projecten van diverse instellingen samen onder een overkoepelend concept: ‘Palestina eens tonen vanuit de culturele invalshoek’. Fotografie speelt hier een belangrijke rol in. Ook de Palestijnen maken fotobeelden en sturen ze naar alle plaatsen in de wereld in een paar seconden tijd. Zo ontstond er opnieuw belangstelling voor de waarde van fotografie als een sociaal-historische bron en Palestijnse fotografen spreken van een fotografie-renaissance.

Als voorbereiding op al die beeldenpracht bezocht ik de voorbije week met een dynamisch groepje van negen Vlamingen inclusief de schrijfster Kristien Hemmerechts en demograaf Patrick Deboosere Palestina. Vanuit de berichtgeving in onze reguliere media (helaas meestal vanuit Tel Aviv) had ik de indruk dat de situatie wat onder controle was. Niets bleek echter meer een naïeve trompe l’oeil dan deze stelling. Frustraties en spanningen bijvoorbeeld in de Gaza strook waar 1,5 miljoen mensen bijeengebracht zijn op een oppervlakte van 365km2. Zelfs het (bijna) dichtstbevolkte land ter wereld Bangladesh moet hier onderspit delven. Het is onvoorstelbaar hoe een ‘democratisch’ land een bevolking als de Palestijnen kan gijzelen in zodanige mensonterende omstandigheden. De bevolking is totaal niet vrij om de Gaza te verlaten (of niet kunnen terug te keren!), studies te doen, medische behandeling te krijgen, op zakenreis te gaan of zelfs niet met een rugzak even op vakantie te gaan. Bepaalde materialen en grondstoffen kunnen onder het mom van de veiligheid niet getransporteerd worden. Blokkade heet dat. Vele ondernemingen en ngo’s trekken weg omdat er in die omstandigheden niet kan gewerkt worden en de werkeloosheid neemt daardoor dus nog toe.

Het is verbazingwekkend dat de internationale gemeenschap geen druk zet op Israël om grenzen te openen, akkoorden van de EU, Genève en de VN na te leven. Integendeel via buitenlandse samenzweringen en investeringen helpen zij met steun van onze banken mee aan de bouw van de muur van de apartheid. En Paul McCartney luistert liever naar de dubbelzinnige schrijvers David Grossman en Amos Oz, hij strijkt zijn 2,5 mio EURO op voor een optreden ter ere van 60 jaar Israël in plaats van erkenning te geven aan de toegebrachte schade aan het Palestijnse volk. Is het te veel gevraagd om de militante tactiek van een culturele en academische boycot te verdedigen zoals weleer tegen de apartheid in Zuid-Afrika. Blijf weg uit Israël tot er vrijheid, rechtvaardigheid, gelijkheid en de mensenrechten gerespecteerd worden. Tijdens je verblijf in Tel Aviv gooiden kolonisten op de historicus en vredesactivist Ze’ev Sternhell een staafbom en raakte hij gewond. Hoe zal ooit de schade hersteld worden, sir Macca?

Onthutsend zijn we terug gekomen na de talrijke contacten met de bevolking, de bezoeken aan de vluchtelingenkampen, de deelname aan een manifestatie, de gesprekken met vorsers en curatoren uit de wereld van kunst en cultuur. Gelukkig had ik ook mijn camera bij me. In deze Werf eens geen foto’s van de collega-fotografen, maar ik wil als uitzondering mijn snapshots eens delen met jullie, mijn trouwe lezers en kijkers. De volgende weken bepreek ik het werk van Palestijnse fotografen en geef ik verslag over een gesprek met een notoir fotohistoricus uit Jeruzalem.

En ja, tijdens mijn verblijf 11 doden in de Gaza, een moeder met een doodgeboren kind aan checkpoint Hawara vlakbij Naplouse omdat de jonge Israëlische dienstplichtigen geen ambulance wilde bellen, Engelse toeristen die beschoten werden door bewoners van Settlements, geen water in het vluchtelingenkamp Ni’lin, …

En er was nog het verdriet voelbaar van de op 9 augustus overleden dichter Mahmoud Darwish. Zijn gedenksteen in het cultuurpaleis van Ramallah is een spontane plek van waardering geworden. De Palestijnen beseffen dat hij internationaal een grote culturele persoonlijkheid was die men kwijt speelde. Een uithangbord van hun identiteit. Darwish had ook twee jaar geleden het voorzitterschap aanvaard van MASARAT. Het festival start nu verweesd maar strijdbaarder dan ooit. MASARAT had op 8 oktober geopend moeten worden met een recital van Mahmoud Darwich in Brussel. Nu we zijn stem missen rest er ons de intieme lezing van zijn woorden en zijn geschriften. Enja, toch was hij blijkbaar gereed voor zijn dood. In zijn bundel ‘This Land is Worth Living for’ (The Dice Player) beschrijft hij het als volgt: ‘…we were the one who were taken by surprise…and not for lack of forewarning’ en hij vervolgt:

“Fortunately, I sleep alone
And listen to my body
And believe my talent in discovering the pain
And call the doctor, ten minutes
Before death
Ten minutes suffice for me to live
By coincidence
And disappoint oblivion
Who am I to disappoint oblivion?”

Ik deed aan sightseeing in een conflictgebied in het Midden-Oosten. Samen zullen we de komende weken een rondgang maken naar de tentoonstellingen her en der in België en de geëxposeerde foto’s toetsen aan de retorische vraag ‘Hebben fotografen dezelfde relevantie in verschillende culturen?’

Sta me toe te eindigen met de woorden die een energieke Vlaamse ngo’ster me in het oor fluisterde bij het afscheid op weg naar de luchthaven. Ze citeerde Edmund Burke (1729-1797): ‘All that is necessary for evil to succeed is that good men do nothing.’

Salaam, in peace.

(Wordt vervolgd)

Reisverslag Kristien Hemmerechts

Foto’s van Bernadette Mergaerts (portret K. Hemmerechts) en Ivan Put

Kristien Hemmerechts in Ramallah bij Mustafa Barghouti

In september trok een delegatie onder begeleiding van het Actieplatform Palestina naar de bezette gebieden, om de situatie met eigen ogen te zien. Schrijfster Kristien Hemmerechts was erbij en schreef onderstaand artikel voor De Standaard.

Schrijfster Kristien Hemmerechts en fotograaf Ivan Put reisden op de Westelijke Jordaanoever langs de Israëlische muur die de Palestijnen in een wurggreep houdt. Het werd een tocht langs eenzame verzetshelden, jonge soldaten, historische rechten en angstige mensen.

Ik begin naar de auto te lopen, hoor de soldaat schreeuwen tegen mijn rug, doe alsof ik haar niet versta. ‘Laat haar asjeblief niet schieten,’ denk ik

Witte plastic tuinstoelen zijn op een betonnen terras onder een afdak van wijnranken in een kring voor ons opgesteld. Op het tafeltje staan geen koffie, thee of gebak klaar. De ramadan is twee weken ver. Wie er zich strikt aan houdt, drinkt overdag zelfs geen water. We raken het er niet over eens of dit nu goed of slecht is voor de lijn.

Koffie of geen koffie, we worden met wijdopen armen onthaald. De dorpsoversten van Bil’in willen dat de wereld hun verhaal hoort. Als een jonge man in een rood Che Guevara T-shirt erbij komt zitten, valt me op hoe uniform de oudere mannen gekleed zijn: zwarte schoenen, donkere broek, geruit hemd, zwaar polshorloge, geen das. Er wordt een poster ontrold van een jongen die hoog in een kraan triomfantelijk een Palestijnse vlag in de lucht houdt. We kijken van de poster naar de jongeman.

Hij is het, de eenzame held van Bil’in, die iedere nacht in een caravan onder de neus van de settlers aan hún kant van de omheining doorbrengt. En vervolgens heeft hij lijf en leden veil om de caravan te beschermen wanneer ze door een kraan als een legoblokje wordt opgetild en ergens gedumpt waar hij niet langer het verzet kan symboliseren, maar gewoon puin is, waarvan er in de Westelijke Jordaanoever zoveel rondslingert. Nadat een rist caravans was geplaatst en vervolgend weggehaald, hebben de mannen van Bil’in op een nacht in zeven haasten een huis gebouwd.

Binden moeders hun dochters vast opdat ze niet zouden wegsluipen om de nacht in de gespierde armen van de dappere krijger door te brengen? Zwijgend zit hij erbij terwijl zijn dorpsgenoten zijn moed bezingen. En het verhaal is nog niet af. Verhalen op de Westelijke Jordaanoever zijn nooit af. Gelukkig zitten we in het koele lommer van de wijnranken.

‘Wij zijn boeren’, zegt iemand. ‘De muur snijdt ons af van ons land en van onze olijfbomen. Waarvan moeten wij leven?’

Onlangs werd de jongeman tijdens een betoging herkend en gearresteerd. Eerst werd hij geboeid en Checkpoint in Nabloesgeblinddoekt en toen gaf een legerofficier het bevel hem in de voet te schieten. Een meisje heeft het gefilmd met een van de videocamera’s die de mensenrechtenorganisaties B’Tselem op de Westelijke Jordaanoever uitdeelt. Het filmpje is op YouTube geplaatst en nu is ook de vader van het meisje gearresteerd. Maar de dappere jongen is in ons midden. Ik heb zin hem te vragen of ik zijn wond mag zien. Iemand zegt: ‘Er zijn er niet veel meer zoals hij.’

Gruyèrekaas

We rijden naar Nil’in, waar net als in Bil’in iedere vrijdag wordt betoogd.

‘Stap hier uit,’ zegt de chauffeur. ‘De weg is door het leger versperd. Loop door het veld. Haast je! Straks komen de soldaten.’

We kruisen jongeren die met Palestijnse vlaggen uit de tegenovergestelde richting komen. Dan zien we de rook van het traangas dat door het leger wordt afgevuurd. Op een heuveltop staan jongeren met vlaggen te zwaaien, maar het traangas houdt ons bij hen weg. Binnenkort wordt ook hier de muur gebouwd. Het zal geen muur zijn, maar een dubbele omheining, omdat die makkelijker kan worden verplaatst.

‘Ze maken van ons dorp een gevangenis,’ zegt een man bitter.

Betoging in NilinIedereen loopt te kuchen. Het traangas bijt in ogen en longen.

Op pakweg veertig meter van ons laten settlers de Israëlische vlag wapperen. Het duurt even voor ik in de schaduw van de olijfbomen de soldaten in hun kaki uniform opmerk. Ook politiejeeps hebben zich aan de overkant geparkeerd. Af en toe lanceert een Palestijnse jongen met een slinger een steen indrukwekkend ver. Of schiet een struik in brand waar een sound bomb van de Israëli’s is geland. Is dit nu oorlog, vraag ik me af.

Settlers zijn joden die zich in Palestijns gebied vestigen en daarom ook kolonisten worden genoemd. Ze bouwen hun settlements op een heuveltop zodat ze het terrein kunnen overschouwen. En ze controleren de waterdistributie. Een settler heeft recht op vijf tot acht keer meer water dan een Palestijn, hoewel hij zich in Palestijns gebied bevindt. Als je op de Westelijke Jordaanoever huizen ziet met zwarte waterreservoirs op de platte daken, dan weet je: daar wonen Palestijnen. Zodra er water is, leggen ze een voorraadje aan voor de dagen waarop de kranen droog staan.

De muur, die zogezegd de Westelijke Jordaanoever van Israël moet scheiden, neemt flinke happen uit Palestijns gebied, spuwt ze aan de Israëlische zijde weer uit en verdeelt de Westelijke Jordaanoever in drie eilanden. In Bethlehem wringt de muur zich in de meest bevreemdende bochten om toch maar Rachels graf aan de ‘juiste’ kant te krijgen. En alsof een muur niet volstaat om de veiligheid van de settlers te garanderen, worden er ook nog eens wegen tussen de settlements aangelegd die alleen door de kolonisten mogen worden gebruikt. De Westelijke Jordaanoever wordt vaak vergeleken met een stuk gruyèrekaas. Voor joden zijn de gaten makkelijk te overbruggen. Voor Palestijnen niet.

‘Maar dit is toch Palestijns gebied?’ zeg ik ongelovig.

‘Kijk,’ zegt de chauffeur, en hij wijst naar een beboste heuveltop rond Nablus, een stad ten noorden van Ramallah. ‘Daar zijn Israëlische soldaten gelegerd. Niets ontgaat hen. Als ze willen, trekken ze de stad in. Onze stad.’

Op 9 juli 2004 heeft het Internationaal Gerechtshof in Den Haag geoordeeld dat de muur in strijd is met de internationale wetgeving. Maar er gebeurt niets. Israël gaat ongestraft zijn gang. Nil’in heeft zelfs een rechtszaak in eigen land gewonnen, maar het vonnis wordt niet uitgevoerd.

En nu krijgen Palestijnen ook nog eens met interne afrekeningen te maken. ‘Fatah heeft alle geloofwaardigheid verloren’, zegt de burgemeester van een naburig dorp. Hij is lid van Hamas, maar mag dat niet hardop zeggen. Een maand geleden is hij gearresteerd, maar hij werd goed behandeld en is snel vrijgelaten. Zijn cipier was een man met wie hij ooit samen in een Israëlische gevangenis heeft gezeten. ‘Jij hebt toen vast te veel van het gas ingeademd waarmee ze ons treiterden’, grapte hij tegen zijn vroegere celgenoot.

Soldaten en studenten

Op de terugweg naar Jeruzalem rijden we ons klem in een chaotische file bij een checkpoint. Taxi’s proberen rechtsomkeert te maken. Het zou wel eens lang kunnen duren en de zon staat al laag. We stappen uit, sluiten ons aan bij de rij voetgangers. Zij zijn uit een taxi of een bus gestapt om aan de overkant een andere te nemen. ‘Iedere dag verliezen we hier twee, drie uur’, vertelt een student. ‘Soms gaat het sneller. Het is volstrekt onvoorspelbaar.’

Nablus en Ramallah zijn allebei Palestijnse steden en toch moeten Palestijnen deze checkpoint passeren. En ze hebben een vergunning nodig. De Westelijke Jordaanoever telt op dit ogenblik honderdendrie checkpoints, waarvan veertig op de grens liggen en drieënzestig binnen Palestijns gebied. En dan zijn er ook nog eens zesenzestig zogeheten flying checkpoints die op wisselende locaties worden opgesteld.

‘Wat komen jullie hier doen?’ vraagt een jongen.

‘Wij willen de wereld over jullie vertellen.’

‘Niemand kan ons helpen,’ zegt hij. ‘Ook wij zelf niet.’

‘Wie dan wel?’

‘God.’

Achter ons wordt gezongen en op de darbouka gespeeld. Een jonge man komt door de checkpoint en wordt op schouders gehesen. ‘Een gevangene’, zegt iemand. ‘Net vrijgelaten.’

We slenteren naar de kop van de file auto’s waar jonge soldaten passagiers doen uitstappen.

‘Je paspoort!’ roept een soldaat tegen mij. Ze is ongeveer zo oud als de studenten aan wie ik lesgeef.

‘In de auto!’ roep ik terug.

‘Welke auto?’

‘Daar!’

Ik begin naar de auto te lopen, hoor haar schreeuwen tegen mijn rug, doe alsof ik haar niet versta. ‘Laat haar asjeblieft niet schieten,’ denk ik.

Twee en een half uur later zijn we aan de beurt.

‘Hallo,’ zegt een soldaat opgewekt. ‘Hoe gaat het ermee?’

We mompelen iets onverstaanbaars, kunnen de onverwachte vriendelijkheid niet hanteren.

En of iemand van ons Spaans spreekt, wil ze weten. Ze wenst ons een prettige reis in het Spaans. Ik krijg geen woord uit mijn strot. ‘Het is haar schuld niet’, denk ik. ‘Ze is vast ook bang.’ Ik dwing mijn mond in een glimlach en denk aan haar moeder die ’s nachts waarschijnlijk de slaap niet kan vatten.

Ze geven geweren aan kinderen, leren hen een grote mond tegen volwassenen op te zetten.

Later, bij de klaagmuur, kan ik me er niet toe brengen tot bij de muur te lopen en een wensbriefje tussen twee stenen te proppen. De herinnering aan de vernederingen die de Palestijnen dagelijks moeten ondergaan, zit in de weg. Ik begin de tekst die op een bord staat, over te schrijven: ‘De joodse traditie leert dat de Tempelberg de focus is van de Schepping. In het hart van de berg ligt de Grondsteen van de wereld. Hier werd Adam geschapen. Hier dienden Abraham, Isaak en Jakob God.’

‘Geen notities nemen,’ zegt een man. Op de sabbat mag er bij de muur niet worden gerookt, gedronken, gegeten, foto’s gemaakt of notities genomen. Het plein kan alleen via controleposten worden bereikt. Bizar genoeg ligt de ingang voor toeristen tot de Al Aqsamoskee rechts van het plein. Als je er bij een zoveelste controlepost aanschuift, zie je de bar mitzvah-processies passeren. Jongetjes schuifelen onwennig onder een baldakijn terwijl hun uitgelaten familieleden hen onstuimig omhelzen.

Huissleutel

‘De ene muur is de andere niet’ staat op de betonnen scheidingsmuur geschilderd. Vaker en vaker wordt de naam apartheidsmuur gebruikt. De Israëli’s zitten ermee verveeld. Net als met de culturele en academische boycot van hun land waartoe wordt opgeroepen.

‘Zeg ons dan gewoon recht in ons gezicht dat we minderwaardig zijn’, zegt Omar Barghouti. Hij kan glashelder argumenteren waarom Israël de zware aantijging apartheidsstaat verdient. ‘Of je erkent onze mensenrechten, óf je plaatst ons in een categorie ónder mensen. Maar wees tenminste eerlijk.’

Barghouti gelooft in een boycot als wapen. Tegen Zuid-Afrika heeft het gewerkt. ‘In de jaren zeventig geloofde ook niemand dat de apartheid in Zuid-Afrika ooit zou worden afgeschaft.’

Voor hem houden mensenrechten ook het recht in op terugkeer naar de dorpen die de Palestijnen in 1948 hebben verlaten. ‘Dat is erg hoog gegrepen,’ zeg ik.

‘Het betekent niets meer of minder dan de uitvoering van VN-resolutie 194.’

Het Midden-Oosten kent natuurlijk wel meer VN-resoluties die nooit werden uitgevoerd.

‘Ben je dan voorstander van één staat?’ vraag ik.

‘Persoonlijk wel,’ zegt hij. ‘Het failliet van de tweestatenoplossing is nu wel bewezen.’

Ik denk aan de checkpoints, de muur, het gevecht om water en kan hem geen ongelijk geven.

De gigantische sleutel boven een poort bij het Aida-vluchtelingenkamp in Bethlehem symboliseert de Palestijnse hoop op terugkeer. Veel vluchtelingen hebben immers hun oude huissleutel bewaard. Het kamp wordt aan twee kanten door de muur begrensd. Dit deel van de muur heeft ook wachttorens. Je kunt niet zien of ze bemand zijn. Het veld waarop de kinderen van het kamp voetbalden, ligt nu aan Israëlische kant. Als ze zich te dicht bij de wachttorens wagen, riskeren ze een kogel. Tussen september 2000 en september 2006 zijn er 119 kinderen jonger dan acht jaar doodgeschoten, 133 tussen negen en twaalf jaar, 284 tussen dertien en vijftien, 284 tussen zestien en achttien. En 31 baby’s hebben hun geboorte bij een checkpoint niet overleefd.

‘Heeft het zin’, vraag ik aan fotograaf Rich Wiles uit Engeland, ‘om de herinnering aan de dorpen levendig te houden?’

‘Wat is het alternatief? Hun zeggen dat ze altijd in dit kamp zullen wonen?’

Wiles, die hier al vijf jaar verblijft, is pessimistisch. Met zeventien kinderen is hij in een busje naar de dorpen getrokken om hen foto’s te laten maken. Anders dan hun ouders hebben kinderen geen vergunningen nodig. Het ene kind moest voor zijn opa een fles vullen met bronwater, het andere bracht een kei mee terug, een derde een zakje aarde.

Herodes

Sinds 2002 verzamelt Zochrot, een joodse organisatie in Tel Aviv, de verhalen van de vluchtelingen. ‘Toen ik opgroeide’, zegt Norma Musih, ‘is me nooit iets over de Palestijnse catastrofe, de naqba, verteld. Er werd ons voorgehouden dat de joden als ‘een volk zonder land naar een land zonder volk’ waren gekomen. Pas na mijn legerdienst ben ik me bewust geworden van de ware toedracht. Hier in de buurt is een natuurpark waar ooit drie Palestijnse dorpen lagen. Je vindt er informatie over elke historische periode, behalve over de dorpen. Wij plaatsen borden met de namen van de verdwenen dorpen. Soms blijven ze niet langer dan een kwartier staan. We stellen ook lespakketten samen voor leerkrachten die wel over de naqba willen lesgeven.’

Ook de settlers maken aanspraak op historische rechten. In Hebron, in het zuiden van de Westelijke Jordaanoever, bezetten settlers sinds 1979 een deel van het centrum van de oude stad. De huizen en winkels rond de settlement zijn verlaten. Palestijnen mogen niet in de buurt komen. De toegang wordt door soldaten bewaakt. De achterkant van de settlement grenst aan de markt. Als je in de nauwe straatjes omhoog kijkt, kun je de getraliede vensters zien. Er zijn netten over de straten gespannen om het vuilnis op te vangen dat de settlers naar beneden gooien. We lopen een doodlopend zijstraatje in en zien een blonde vrouw in alle rust de was ophangen. Ze gunt ons geen blik.

De drie patriarchen, Abraham, Isaak en Jakob, liggen in Hebron begraven in een gebouw dat uit Herodes’ tijd stamt. Een deel is door de joden opgeëist en in het andere deel hebben moslims een moskee. In 1099 maakten kruisvaarders er zelfs de kerk van de Heilige Abraham van. Buiten het heiligdom schetteren Arabische muziek en Hebreeuwse muziek tegen elkaar op. Een groep rekruten geniet van een uitstapje. Ze poseren met hun geweer, kopen souvenirs, likken aan ijsjes. Bij een controlepost staat een vader met zijn zoontje in de blakende zon. Ze kwamen uit een straat die voor Palestijnen verboden is. Nu moet er druk worden getelefoneerd. De man en het kind wachten gelaten. We willen hen helpen, weten niet hoe.

‘Besef je wat het voor ons betekent om een kind in het leger te hebben’, zegt Rachel Sukman. ‘Wij leven permanent in angst dat op hem of haar geschoten wordt.’

Sukman heeft een piepkleine kunstgalerie in Tel Aviv en werkte ooit intens samen met de Palestijnse Emily Jacir, die in de Verenigde Staten is opgegroeid en vorig jaar de Biënnale van Venetië heeft gewonnen. Maar toen trok Jacir voor het eerst in haar leven naar Ramallah en stuurde Sukman onthutste brieven over wat ze aantrof.

‘Ze klonk als iemand van de Hezbollah!’ zegt Sukman ontdaan.

‘Ben jij ooit in Ramallah geweest?’

‘Wij kunnen niet gaan. En ik durf het ook niet!’

Je moet gaan, wil ik haar zeggen. Doe zoals Norma Musih en zeg dat je in de settlements op bezoek gaat. Bij die leugen helpt het Musih dat ze een vrouw is en blond.

Iedereen moet gaan. Je moet het met je eigen ogen zien om het te kunnen geloven. En als je niet kunt gaan, surf dan naar de website van de mensenrechtenorganisatie. Bekijk de filmpjes. Luister naar de getuigenissen. Sluit er je ogen en oren niet voor.

Meer info: www.btselem.org

Evy in Palestina

Evy coördineert het Actieplatform Palestina. Zij is voor tien dagen op rondreis in de Palestijnse gebieden. Ze zal hier haar ervaringen met de lezers delen.

You are currently browsing the Palestina blog archives for oktober, 2008.